Beïnvloedbare factoren

Beïnvloedbare risicofactoren

Factoren die we wel kunnen beïnvloeden om het risico op HVZ te reduceren zijn:

  • Leefstijl en voeding
  • Roken
  • Vetten en cholesterol in het bloed
  • Hoge bloeddruk  
  • Suikerziekte
  • Gewrichtsreuma
  • Overgewicht
  • Vaatwandstijfheid


Leefstijl en voeding

Het lijkt een open deur. Gezond leven begint met een goede leefstijl en gebalanceerde voeding. Toch blijkt dit voor veel mensen in de praktijk niet makkelijk vol te houden. Meestal berust dit op 'te weinig tijd om voldoende te bewegen' of 'niet kunnen weerstaan aan de verleiding van ongezonde voeding'. Roken en overgewicht vallen natuurlijk ook onder 'leefstijl en voeding', maar worden vanwege hun impact op het risicoprofiel apart weergegeven.

In het kader van CVRM wordt 'voldoende bewegen' gezien als:

  • minstens een half uur per dag en minstens 5 dagen in de week lichte lichamelijke activiteit (wandelen, fietsen, tuinieren, e.d.)

Onder 'gezonde voeding' wordt het volgende verstaan:

  • beperkt gebruik van verzadigd vet of transvet en zout.
    • beperken van middelen als roomboter, harde margarines, vet vlees, melkproducten en tussendoortjes.
    • max. 6 gram zout per dag (d.w.z. geen zout toevoegen aan het eten en middelen vermijden die veel zout bevatten.)
  • 2 keer per week 100-150 gram vis, waarvan minstens 1 portie 'vette' vis.
  • minimaal 150-200 gram groente en 200 gram fruit per dag.
  • matig alcohol (max 3 glazen per dag voor mannen en 2 glazen per dag voor vrouwen.)


Roken

Het gebruiken van tabak, in welke vorm dan ook, geeft een flinke toename van het risico op HVZ en sterfte in het algemeen. Het aandeel van roken is gemakkelijk vast te stellen met behulp van de risicotabel uit de MDR CVRM. Natuurlijk is het risico niet zo digitoom als wordt verondersteld door de tabel. Meer roken is immers meer risico. Het geeft echter wel een goed algemeen idee van het effect van stoppen met roken op het risicoprofiel. Onthoud echter dat de risicodaling door te stoppen met roken pas na een jaar of 2-3 van kracht is geworden. Als u rookt en daarmee wilt stoppen, kan uw huisarts of de praktijkondersteuning u daar bij helpen. Kijk ook even op ikkanstoppen.nl.


Vetten en cholesterol in het bloed

Dyslipidemie betekent dat er een verstoring is in de vetstofwisseling. In het bloed komt dit naar voren als een verhoging van het totale cholesterol, het LDL, de triglyceriden en/of een verlaging van het HDL. Naast een aantal (erfelijke) ziektes die dyslipidemie veroorzaken, komt het voor bij een slechte leefstijl of dieetgewoonten. Ook kunnen bepaalde medicijnen de vetstofwisseling verstoren. Afhankelijk van de oorzaak van de verstoring en het soort verstoring wordt er behandeling ingezet. Dit begint met aanpassing van de leefstijl en het dieet en wordt indien nodig gecomplementeerd met medicatie. Het verband tussen een stoornis in het vetmetabolisme en het voorkomen van HVZ is duidelijk. Of het verband oorzakelijk is, is in sommige gevallen minder duidelijk. Dit heeft aanleiding gegeven de commotie omtrent statines. Uit grootschalige onderzoeken is echter naar voren gekomen dat behandeling van de dyslipidemie, ongeacht de oorzaak, een reductie geeft van HVZ.


Hoge bloeddruk

Wat is bloeddruk?

"The definition of blood pressure has always been bedeviled by its variations." (J. Conway, 1970.)

Bloeddruk varieert nogal en op diverse manieren.
Ten eerste vertoont de bloeddruk een golfpatroon. Het is gebruikelijk de hoogste en de laagste drukwaarde van die golf vast te leggen, dat wil zeggen de bovendruk (systolische bloeddruk, SBD) en de onderdruk (diastolische bloeddruk, DBD).
Maar ook de boven- en onderdruk variëren over de tijd. Er zijn variaties van slag tot slag, maar ook de gemiddelde waarden zijn onderhevig aan schommelingen. Zo zijn de bijvoorbeeld de nachtwaarden gebruikelijk een stuk lager dan de dagwaarden en is de bloeddruk in de winter normaal hoger dan in de zomer. Dit maakt het moeilijk om op basis van één meting vast te stellen of iemand hoge bloeddruk heeft. Dit is de reden waarom er op verschillende bezoeken, met voldoende lang interval, een hoge bloeddruk gemeten moet worden voordat met spreekt van hoge bloeddruk.

Als de oorzaak bekend is, spreken we van secundaire hypertensie. Is de oorzaak niet bekend, zoals in ongeveer 95% van de gevallen, dan spreken we van essentiële hypertensie. 
Maar wanneer mag er gesproken worden van hypertensie? Het is zeer moeilijk een definitie te vormen die in alle situaties stand houdt.

Als uw arts u vertelt dat u hoge bloeddruk heeft, moet klassiek reeds aan een aantal voorwaarden zijn voldaan.

  1. De meting moet op ambachtelijke wijze zijn uitgevoerd.
  2. De diagnose kan bij voorbaat niet op één enkele meting uit één enkel bezoek berusten.
  3. Daarnaast moet ook elke individuele meting onder gestandaardiseerde omstandigheden worden verricht.
  4. Elke volgende meting moet onder gelijkaardige omstandigheden worden gedaan.

Tegenwoordig kan ook met een 24-uurs ambulante bloeddrukmeting of met een reeks thuisbloeddrukmetingen de diagnose worden gesteld of verfijnd, al blijft de klinische bloeddrukmeting nog altijd de referentie.

Omdat de bloeddruk van zoveel zaken afhangt en zoveel schommelt, zijn we hard opzoek naar eigenschappen van het menselijk lichaam die minder variëren in de tijd maar dezelfde risicoverhoging geven. Een van die eigenschappen is de vaatwandstijfheid

Risicofactoren voor het ontwikkelen van hoge bloeddruk


Fig. 1. Oorzaken van hypertensie.

Genetische factoren

Zoals bij de meeste medische problematiek, speelt erfelijke aanleg ook een grote rol in hoge bloeddruk. Hiermee wordt bij het opstellen van het risicoprofiel rekening gehouden, maar is bij de behandeling van minder belang.

Omgevingsfactoren

Belangrijker dan erfelijke factoren zijn de omgevingsfactoren. Dit zijn namelijk zaken die mogelijk te beïnvloeden ("modificeren") zijn.
Toch is het vaak een combinatie van bovengenoemde factoren die leidt tot een falend controlemechanisme van de bloeddruk.


Suikerziekte

Suikerziekte (diabetes) heeft ernstige gevolgen voor het hart- en vaatstelsel. Dit geldt zowel voor DM type 1, DM type 2 als zwangerschapsdiabetes. Gelukkig verdwijnt de suikerziekte bij zwangerschapsdiabetes na de zwangerschap meestal vrij snel. Wel is er 50% kans dat je dan binnen een paar jaar DM type 2 ontwikkelt. De ernstige gevolgen voor het hart- en vaatstelsel worden door meer zaken veroorzaakt dan alleen het hoge suikergehalte in het bloed. Met name zijn dat een gestoorde vetstofwisseling, hoge bloeddruk, overgewicht en slagaderverkalking (atherosclerose).

Grofweg wordt er bij CVRM gesteld dat het hart- en vaatstelsel bij aanwezigheid van suikerziekte zich qua risico op HVZ zich gedraagt als 15 jaar ouder dan bij afwezigheid van suikerziekte. Het relatieve risico is af te leiden uit de risicotabel uit de MDR CVRM.


Gewrichtsreuma

Reumatoïde artritis (RA), ook wel gewrichtsreuma genoemd, is een auto-immuunziekte waarbij in hoofdzaak de gewrichten bij betrokken zijn. Dat wil zeggen dat het afweersysteem van het lichaam de eigen gewrichten aanvalt. Waarschijnlijk zijn het deze ontstekingsmechanismen die ook de kans op HVZ verhogen. Hoe het precies zit, is nog niet bekend. Wel weten we dat iemand met RA ongeveer 2 keer zoveel kans op HVZ heeft als iemand zonder RA. Behandeling van RA verlaagt ook het risico op HVZ.


Overgewicht

Men spreekt van overgewicht zodra de Body Mass Index (BMI) boven de 25 kg/m2 uitkomt. Dit geeft al een duidelijk gezondheidsrisico. Zodra de BMI boven de 30 kg/m2 komt, spreekt men van zwaarlijvigheid (obesitas) en wordt het risico op HVZ ook aanzienlijk hoger. Grofweg kan ment stellen dat elke halve kilo extra bij mensen tussen de 30 en 60 jaar, het risico op sterfte verhoogt met 1 á 2 %. Gewichtsreductie is daarom een belangrijke factor bij CVRM als er sprake is van overgewicht. Te snel afvallen werkt meestal echter averechts. Afvallen kan daarom het best gedaan worden onder begeleiding van een coach.


Vaatwandstijfheid

Vaatwandstijfheid is een risicofactor die steeds meer aandacht krijgt. Vooral omdat technieken die de vaatwandstijfheid beoordelen een sterker verband hebben met HVZ dan hoge bloeddruk. Men dacht dat door hoge bloeddruk de vaten schade opliepen en daardoor stijver werden. Stijve vaten waren dus een gevolg en men kon daarom beter naar de bloeddruk kijken. Uit recent onderzoek is echter gebleken dat de oorzaak-gevolg relatie juist andersom ligt. Vaatwandstijfheid gaat ruim vooraf aan hoge bloeddruk. Dit is reden te meer om in een vroeg stadium de vaatwandstijfheid te beoordelen in het kader van CVRM.